Werk    Frans Hals Museum  


8.

2013 is een jubeljaar. Het Frans Halsmuseum bestaat 100 jaar. Waarin, onder meer, een heel bijzondere expositie. Frans Hals, in gezelschap van anderen. En niet de minsten ook. Wat te denken van Titiaan, Rembrandt en Rubens? We praten ampel over de tentoonstellingstitel. Daar wil ik het nu even niet over hebben. Het gaat me, momenteel, om de overkoepelende zin. Die op het ganse jaar slaat.

Ik reik aan: Leve Frans Hals! Een heel jaar honderd

Waarbij Een heel jaar honderd ook solo dan wel in andere samenstellingen valt te gebruiken. In agenda's onder meer.

Het voorstel wordt goed ontvangen. Maar de koepelzin is tot nu toe niet gebruikt. 'Iedereen kent zo zijn of haar teleurstellingen...' (medio februari 2013)

7.

Karel Schampers, directeur van het Frans Hals Museum, schrijft een werktitel. Voor de tentoonstelling Cornelis van Haarlem, de schilder waarop Haarlem trots mag zijn. De Michelangelo van het Noorden oppert hij. Wat denk ik daarvan?
1. Feitelijk valt er niks tegenin te brengen,
2. de zin is niet echt soepel, 'bekt niet lekker',
3. mag je de vergelijking met Michelangelo wel maken?
4. over welk Noorden hebben we het eigenlijk?

Ik doe een tegenvoorstel:
'Onze Michelangelo', waarbij de aanhalingstekens een al te grote letterlijkheid verzachten. En onze slaat op zowel Nederland als Haarlem.

Mijn voorstel haalt het niet. Dat gebeurt wel eens vaker. Maar de aanhalingstekens blijven. Uiteindelijk wordt het:

'De Hollandse Michelangelo'

Ben ik heel content mee. www.franshalsmuseum.nl

6.


Groter>>

Het vak staat vaak bol van de haast, maar nu niet. Ruim een jaar tevoren spreek ik met Anna Tummers en Anna Brolsma. Hoofdconservator en hoofd communicatie van het Frans Hals Museum. Er komt een opgewekte tentoonstelling en daar hoort een sprekende titel bij. Werktitel: Feesten in de Gouden Eeuw. Laat aan duidelijkheid niets te wensen over, doch is afstandelijk. Het wordt, conform mijn voorstel:

De Gouden Eeuw viert feest.

Is dichterbij, is actiever en ligt in het verlengde van: De Gouden Eeuw begint in Haarlem (2008/2009). Bregt Balk ontwerpt het affiche.

www.franshalsmuseum.nl

5.


Groter>>

Hoe benoem je het museum?
Per ondertitel. Duidend en wervend. Daarover gaat het, op 11 augustus '09. In Haarlem. In breed gezelschap. Directeur, conservator, educatie, marketingcommunicatie en ik. Er zweeft een zin over het Spaarne: Het museum van de Gouden Eeuw. Ik ben daar niet blij mee. Het Mauritshuis en het Rijksmuseum kunnen met evenveel recht en reden (of zelfs meer) aanspraak maken op die kwalificatie.

We maken een wandeling langs de meest kenmerkende eigenschappen van het Frans Hals Museum. Gebouw, tuin, sfeer, collectie en meer.

Precies een week later mail ik mijn aanbeveling:

Frans Hals Museum
Thuis in de Gouden Eeuw

Er ligt in besloten dat het museum thuis is, ingevoerd is, in de materie. De meerderheid van de lezers evenwel zal de boodschap op zichzelf betrekken. En dat is precies de bedoeling. De zin houdt een belofte in (je ervaart de Gouden Eeuw, overal waar je loopt en kijkt). En tegelijkertijd een criterium, een ijkpunt: maakt het museum die belofte -na afloop- waar?

De positieve reactie volgt verheugend snel.

4.


Cornelis Lieste, Waterval in het dal van Chiavenna,
circa 1840. Stiftung B.C. Koekkoek Haus, Kleef
Groter>>

Romantiek in De Hallen
Vrijdag 6 maart '09. Dramatis personae: Karel Schampers, directeur, Antoon Erftemeijer, conservator, Louis Pirenne, hoofd communicatie en ik. We spreken, te Haarlem over de zomertentoonstelling in De Hallen. Aan de Grote Markt. Sublieme landschappen uit de Nederlandse romantiek. Dat is een mond vol en wat minder geschikt als titel. En om een titel gaat het.

Goed, er ligt een lijstje. In de sfeer van Gods schoone natuur. Ik ga eens lekker dwars liggen en serveer (op 12 maart): Kijk nou toch! En ik zie al voor me hoe je dat, op zaal en in campagnes kunt hanteren, tot bloei kunt laten komen. Zeker in deze context.

Het voorstel daalt niet in goede aarde. Tweede ronde. Op 24 maart snelt, per e-mail, Groots en meeslepend naar de heren. Bijval. De expositie duurt van 13 juni tot en met 30 augustus '09 en trekt ruim 13.000 bezoekers. In een hete zomer.

3.

Ruimschoots op tijd, op vrijdag 7 december '07, arriveren Pieter Biesboer, langdurig conservator en Louis Pirenne, hoofd communicatie van het Frans Hals Museum. Pieter bereidt zijn afscheidstentoonstelling voor. Een heel bijzondere. Hij toont er in aan dat Haarlem een dominante rol speelt in de (prille) ontwikkeling van de schilderkunst in de zeventiende eeuw. Meer dan Delft, Leiden, Utrecht, Amsterdam. In vrijwel alle genres. Van stadsgezichten tot stillevens, van landschappen tot portretten. Dat is een uitgesproken uitgangspunt, een stevig statement.

Daar hoort een passende titel bij.

In werkdocumenten zingen woorden rond als De Glorie, De Bakermat, De Kraamkamer en
De Dageraad. Nou, liever niet. Het daagt subiet bij me:
De Gouden Eeuw begint in Haarlem.
We laten het even bezinken en dan stel ik het officieel voor. Direct aanvaard. De zin brengt een
lichte deining teweeg, in kunstkringen. Welkom, welkom. De expositie ('08/'09) trekt ruim 50.000 bezoekers. Dat is een record.

2.

Via De Hallen aan de Grote Markt brengt het Frans Hals Museum moderne en actuele kunst onder de aandacht. Alleen in de zomer wordt hiervan afgeweken. Er wordt dan duidelijk gemikt op een breed publiek, waaronder de vakantieganger. Deze zomer is de eer aan Anton Pieck. Uiteraard voorzien van een passende titel. Het vinden daarvan is geen sinecure. Naar blijkt. Bij Pieck speelt van alles en nog wat een rol. De tekenmeester is moeilijk of niet in een behulpzaam vakje onder te brengen. Nostalgie, herkenning, bewondering vallen hem ten deel, maar ook aperte afwijzing. Waarbij de vraag rijst of uitgerekend Pieck in De Hallen zou moeten verschijnen...
Uiteindelijk luidt mijn titel:

Tevreden tijd
Anton Pieck in De Hallen

21 juni tot en met 31 augustus '08 www.dehallenhaarlem.nl

1.

Op 11 juli '07 komt Louis Pirenne op bezoek, nog niet zo lang hoofd publiekszaken van het Frans Hals Museum en de Hallen te Haarlem. Met een vraag. Zou ik een titel willen bedenken voor een tentoonstelling? Graag. Ik kijk en lees me in. Vader Salomon de Bray en drie zonen. Allemaal kunstenaar, in de zeventiende eeuw. Schilder dan wel schilder/architect. In, jawel, Haarlem. Het museum heeft zelf een aantal titels bedacht, doch is daarover niet tevreden. Ik lees ze pas later.

Ik repeteer mijn criteria. Acht stuks. Wat moet een titel zijn? Wat moet een titel doen? Ik onthul ze hier niet (handelswaar) maar pas ze wel toe.

Al gauw kom ik tot de conclusie dat je niet zou moeten reppen van een familie. Ooms, neven, nichten, oma en opa behoren daar tevens toe en zulks is hier niet het geval. Het gaat om één gezin. Voorts zou ik me volgaarne verre houden van: Vier meesters aan het Spaarne of zoiets. En voor: Zo vader zo zonen heeft het FHM mij niet van node.

Het wordt, dertien dagen later: 't Zit in de genen!

Met als ondertitel: Vier schilders in één gezin: Dirck, Jan, Joseph en Salomon de Bray.

Met opzet niet: uit één gezin en evenmin vader voorop. Ik kies voor de alfabetische volgorde. Die past (niet voor het eerst) ook het best bij mijn gevoel voor ritme.

Op 2 februari '08 wordt de tentoonstelling geopend. De titel maakt direct tongen los. Genen, genen? Horen die niet bij Teylers? De wethouder gaat er stevig op in tijdens de toespraak. En de wandelgangen laten zich niet onbetuigd. Heerlijk. Een van mijn criteria luidt: prikkelen.